De jaarrekening is opgesteld met inachtneming van de voorschriften zoals opgenomen in het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) en de verordening ex artikel 212 Gemeentewet, waarin door de gemeenteraad de uitgangspunten voor het financiële beleid, alsmede de regels voor het financiële beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie, zijn vastgesteld.
Grondslagen waardering en resultaatbepaling
Algemene grondslagen voor het opstellen van de jaarrekening
Terug naar navigatie - Algemene grondslagen voor het opstellen van de jaarrekeningDe waardering van de activa en passiva en de bepaling van het resultaat vindt plaats op basis van historische kosten. Tenzij bij het desbetreffende balanshoofd anders is vermeld, zijn de activa en passiva opgenomen tegen nominale waarde.
De baten en lasten zijn toegerekend aan het jaar waarop zij betrekking hebben. Baten en winsten zijn slechts genomen voor zover zij op balansdatum zijn gerealiseerd. Verliezen en risico’s die hun oorsprong vinden vóór het einde van het begrotingsjaar, zijn in acht genomen indien zij vóór het opmaken van de jaarrekening bekend zijn geworden.
Dividendopbrengsten van deelnemingen zijn als bate genomen op het moment waarop het dividend betaalbaar wordt gesteld.
Met betrekking tot het verwerken van de algemene uitkering heeft de commissie BBV een stellige uitspraak gedaan. Deze uitspraak houdt in dat de algemene uitkering in de jaarrekening wordt opgenomen conform de laatste in het jaar gepubliceerde accresmededeling, die doorgaans is opgenomen in de septembercirculaire van het boekjaar.
Met betrekking tot de eigen bijdragen die het CAK int en aan de gemeenten afdraagt, geldt op basis van de Kadernota rechtmatigheid 2022 van de commissie BBV het volgende. Gemeenten kunnen op basis van de overzichten van het CAK wel de aantallen personen, soort en omvang van de zorgverlening beoordelen op basis van de eigen Wmo-administratie. Probleempunt is dat, vanwege het ontbreken van inkomensgegevens op deze overzichten, de informatie over de eigen bijdrage ontoereikend is om als gemeente de juistheid op persoonsniveau en de volledigheid van de eigen bijdragen als geheel te kunnen vaststellen. Door de systematiek te kiezen van het door het CAK laten vaststellen van de eigen bijdragen, heeft de wetgever in feite bepaald dat de verantwoordelijkheid voor de juistheid en de volledigheid van de eigen bijdragen geen gemeentelijke verantwoordelijkheid is. Dat betekent dat door de gemeenten geen zekerheden over de omvang en de hoogte van de eigen bijdragen kunnen worden verkregen, als gevolg van het niet kunnen vaststellen van de juistheid op persoonsniveau, zoals in het voorgaande is toegelicht. De gemeente zal deze onzekerheid in de jaarstukken moeten noemen, ook al ligt de oorzaak ervan niet bij de gemeente.
De personeelslasten worden in principe toegerekend aan het boekjaar waarop ze betrekking hebben. Er is sprake van een formeel verbod op het opnemen van voorzieningen c.q. schulden uit hoofde van jaarlijks terugkerende aan arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar volume. Diverse personele lasten blijven echter ook in 2023 toegerekend aan de periode waarin de uitbetaling plaatsvindt. Daarbij moet worden gedacht aan componenten zoals de ziektekostenpremie ten behoeve van gepensioneerden en de overlopende vakantiegeldaanspraken.
Medewerkers kunnen op basis van de CAO onder andere vanaf 1 januari 2022 bovenwettelijke verlofuren sparen. Met dit 'verlofsparen' kunnen medewerkers passend bij hun levensfase hun bovenwettelijke verlofuren inzetten op een manier die aansluit bij hun persoonlijke levens- en carrièreplanning en het gemeentelijke vitaliteitsbeeld. De uren die zijn gespaard onder het verlofsparen verjaren niet. Conform de door de commissie BBV gepubliceerde Vraag & Antwoord moeten gemeenten een voorziening vormen voor alle categorieën bovenwettelijke verlofuren die in artikel 6.3 lid 3 van de CAO gemeenten zijn benoemd.
Rechtmatigheidsverantwoording
De verantwoording is opgesteld op basis van de kaders zoals besloten in de Financiële verordening Land van Cuijk 2023 (artikel 11 t/m 14) en op basis van de Kadernota rechtmatigheid 2023 .
De rechtmatigheidsverantwoording ziet toe op de financiële rechtmatigheid van baten, lasten, balansmutaties, alsmede de baten en lasten inzake de specifieke uitkeringen op grond van art. 17 Financiële-verhoudingswet.
De financiële rechtmatigheid waaronder het voorwaardencriterium, het begrotingscriterium en het misbruik & oneigenlijk gebruik criterium omvat:
- Voor het voorwaardencriterium bestaat de norm uit het normenkader zoals door de gemeenteraad is vastgesteld op 28 september 2023 (agendapunt 25).
- Voor het begrotingscriterium geldt dat alle overschrijdingen van lasten en investeringskredieten onrechtmatig zijn, waarbij voor een aantal scenario’s in artikel 13, lid 4 van de Financiële verordening is beschreven wanneer deze overschrijdingen acceptabel zijn. Voor over- en onderscheidingen van baten, onderschrijdingen van lasten en onderschrijdingen van investeringskredieten geldt dat deze als onrechtmatig zijn aangemerkt indien ze niet tijdig aan gemeenteraad zijn gemeld. In artikel 6, lid 6 van de Financiële verordening is opgenomen dat alle onderschrijdingen en overschrijdingen op baten en lasten en investeringen die na de laatste tussentijdse rapportage worden geconstateerd worden opgenomen in de jaarrekening en in de rechtmatigheidsverklaring. Deze worden niet meegenomen in het oordeel van rechtmatigheid.
- Ten aanzien van het M&O criterium is de nota M&O beleid van onze organisatie leidend bij het voorkomen en opsporen van misbruik en oneigenlijk gebruik. Omdat alleen bij misbruik sprake is van een onrechtmatigheid zijn eventuele gevallen van misbruik (mits cumulatief met andere fouten of onduidelijkheden boven de verantwoordingsgrens) opgenomen in de rechtmatigheidsverantwoording.